Als operaland is Nederland inmiddels volwassen geworden. 21 Jaar geleden kwam Pierre Audi naar Nederland. Jong nog, net 31 jaar oud en met vooral ervaring als theaterdirecteur. Onder zijn leiding had het kleine Almeida Theater in de Londense wijk Islington zich in minder dan tien jaar ontwikkeld tot een belangrijk podium voor avant-garde toneel en muziek, waaronder ook opera. Als de nieuwe artistieke directeur van De Nederlandse Opera wachtte hem in Amsterdam en op nationaal niveau een veel grotere organisatie en een nog bijna leeg podium in het splinternieuwe Muziektheater, dat op operagebied om ambities vroeg die tot dan toe in Nederland niet vertoond waren.

In 1987 was Truze Lodder al als nieuwe zakelijk directeur aan haar deel van die zware taak begonnen. Op 17 juni 1988 stelde zij Pierre Audi aan de pers en de muziekrecensenten voor: ‘trots’ en ‘glunderend’, zoals Hans Heg in De Volkskrant schreef. Nu, met een blik over de schouder 21 jaar terugkijkend, lijken de woorden ‘trots’ en ‘glunderend’ een comfortabel gevoel van zekerheid van succes te suggereren. Zo was het niet, de Staat en de middelen van de staat maakten het mogelijk in Nederland een nieuw begin te maken met een echt groot operahuis. Zekerheid dat het ook zou lukken en dat het bovendien ook een succes zou worden, was er allerminst. Wel was er van het begin af aan tussen de Nederlandse zakelijk directeur en haar in Beiroet geboren, in Parijs opgegroeide en in Oxford afgestudeerde artistieke collega sprake van een ‘Direktions-Ehe’, zoals de ‘Opernwelt’ een paar jaar later bewonderend schreef. Is een harmonieuze en over en weer inspirerende samenwerking in de leiding in de operawereld al eerder uitzondering dan regel, nog zeldzamer is een samenwerking van zo lange duur en met een zo duidelijk opgaande lijn.
Er is alle reden om daar trots op te zijn en glunderend te kijken naar het resultaat. De goede en harmonische samenwerking biedt de artistiek directeur de rust en de zekerheid van een ordelijke bedrijfsvoering. Hij kan er op vertrouwen dat het bedrijf als vanzelfsprekend klaar staat om voor hem het doek open te laten gaan. Voor een zakelijk directeur is er het steeds weerkerende genoegen voor volle zalen opera op zijn best mogelijk te maken en subsidiegevers en sponsors trots recensies en recettes te kunnen laten zien. Voor de medewerkers, achter de schermen en op het toneel, groeit zo ook de trots de dragers te zijn van een inmiddels ook internationaal grote en gerespecteerde naam: De Nederlandse Opera. Hoewel opera naar zijn aard altijd een ‘Gesamtkunstwerk’is, is het toch maar zelden dat een operahuis zichzelf als een ‘gesämtliches Kunstwerk’ mag beschouwen.

In Amsterdam is dat in alle opzichten het geval. Pierre Audi is ook de eerste om er op te wijzen dat een goede sfeer niet alleen tot betere resultaten leidt, maar uiteindelijk ook de beste solisten aantrekt. Dirigenten, zangers, musici, regisseurs en decorontwerpers komen graag naar Amsterdam. Daar wacht hen niet alleen het ‘beste publiek ter wereld’, zoals Audi in de NRC ooit tegen Kasper Jansen zei, maar ook een geweldig zingend en acterend koor, voortreffelijke orkesten en een ruim toneel waarop technisch bijna alles kan. Juist het ontbreken van een eigen operacultuur met zijn eigen favoriete nationale componisten maakt dat het Nederlandse publiek open staat voor het beste, mooiste en interessantste wat er in de hele wereld op operagebied te vinden is. Dat laat ook ruimte voor experimenten, die het ijzeren repertoire van de roest van de traditie bevrijden, en voor innovatie, voor nieuwe opera’s. Iedere muziektheaterbezoeker die in de grote landen van de opera een voorstelling in een van de grote operahuizen meemaakt, ontdekt al heel snel en ook weer met trots dat hij in Amsterdam als vanzelfsprekend is gaan beschouwen wat elders juist uitzonderlijk is.
Dat is de grote verdienste van Pierre Audi. Hij verenigt in zijn persoon en in zijn werk een aantal van ieder op zichzelf al bijzondere kwaliteiten. Hij is een man van het ensemble, zelf op de vloer aanwezig, en tegelijkertijd ook degene die van bovenaf kijkt en het geheel overziet. Hij heeft een scherp oog voor wat visueel spannend is en bovendien binnen de technische mogelijkheden van het Amsterdamse muziektheater gerealiseerd kan worden. Muziek is voor hem de schakel tussen de verschillende kunstvormen, maar juist zijn achtergrond als theaterman helpt hem voor het grote probleem van bijna elke opera, de kwaliteit en geloofwaardigheid van het libretto, steeds weer een oplossing te vinden, die ook de essentie van wat de muziek wil uitdrukken weer tot een verrassing voor het oor maakt. Wat het oor van de operabezoeker in de zaal verrast, overrompelt hem of haar ook in het gevoel en dat is wat de opera door de combinatie van muziek, tekst en toneel uiteindelijk wil bereiken. Opera is altijd de overtreffende trap, maar in zijn meest overtuigende vorm is opera ook de kunst het publiek mee de trap van de passie op te krijgen. Liefde en haat, angst en vreugde ,worden dan voelbaar in een concentratie en dosering die ver uit gaat boven wat mensen in hun dagelijkse leven kennen of aan zouden kunnen.
Onder de leiding van Pierre Audi is De Nederlandse Opera een plek, internationaal gezien misschien inmiddels zelfs wel dé plek, geworden waar het operarepertoire zijn breedste en rijkste scala heeft gevonden. Er zijn zo’n twintig wereldpremières geweest van heel nieuwe en ook heel oude opera’s. Een deel daarvan is in samenwerking met andere huizen in binnen- en buitenland tot stand gekomen. Een belangrijk deel van de wereldpremières staat op naam van opera’s van moderne Nederlandse componisten, zoals heel recent nog ‘After Life’ van Michel van der Aa en ‘Writing to Vermeer’ van Louis Andriessen. Naast de premières zijn er natuurlijk de totaal nieuwe versies van de echte publiekslievelingen als ‘Carmen’ of ‘La Bohème’, en de indrukwekkende ensceneringen van gigantische opera’s als de ‘Ring’ , ‘Les Troyens’ en dit seizoen ‘La Juive’. In herinnering blijven ook de feestelijke uitvoeringen van lichte en komische opera’s van Mozart en Rossini, de beklemmende opvoeringen van werk van Janacek en Shostakovich. Operacomponisten als Tan Dun en Hans Werner Henze , Philip Glass en Theo Loevendie weten zich in Amsterdam verzekerd van publiek, dat uiteraard ook komt voor Monteverdi, Verdi en Tsjaikowski, Schönberg en Puccini, Wagner en Messiaen, Britten en Haendel. Het is een reeks die in ruim twintig jaar is uitgegroeid tot een waar pantheon van de opera.
Vaak voerde Pierre Audi zelf de regie over de in Amsterdam opgevoerde opera’s, maar ook de keuze van regisseurs van buiten getuigt van zijn smaak en opvatting. Ze zijn in Amsterdam een begrip geworden: Willy Decker, Peter Greenaway, Klaus Michael Grüber, Martin Kusej (Lady Macbeth), Simon McBurney (A dog’s heart), Peter Sellars, Peter Stein, Deborah Warner, Jossi Wieler en Sergi Morabito. En niet te vergeten de uitmuntende chef-dirigenten Haenchen, De Waart, Metzmacher en Albrecht met wie Audi samenwerkt. De namen van de opera’s roepen in veel gevallen weer herinneringen op aan de schitterende ensceneringen en de bijzondere vormgevende rol van kunstenaars als Karel Appel en Jannis Kounellis. Met verrassende lichteffecten en ongekende kleurcontrasten, sterke symbolische vormen en krachtige choreografieën wordt in de Amsterdamse opera-uitvoeringen een verhoogde intensiteit van de beleving nagestreefd en bereikt.

Nederland is als operaland volwassen geworden. Daarvoor danken en eren we Pierre Audi, maar we weten dat zijn prestatie niet mogelijk was geweest zonder het geluk van een gelukkige verbintenis in de directie en met de organisatie. Continuïteit en collegialiteit zijn het waarmerk van De Nederlandse Opera geworden en hebben excellentie als constante mogelijk gemaakt. ‘Excellent’ was inderdaad in 2008 ook het oordeel van de internationale Visitatiecommissie Dans- en Operagezelschappen over De Nederlandse Opera. Voor missie, doelstellingen, kwaliteit, productiviteit en publieksbereik werd steeds de hoogste waardering toegekend. In artistiek opzicht hoort De Nederlandse Opera tot ‘de top’, zo schrijft de commissie in haar rapport, en de producties zijn ‘van internationale allure’. De recensies, ook in kranten en tijdschriften buiten Nederland, ‘zijn vrijwel unaniem en consistent zeer lovend’.
De gronden van toekenning voor de Johannes Vermeer Prijs bepalen dat de prijs niet kan worden toegekend voor één specifiek kunstwerk of artistieke activiteit, maar een oeuvreprijs is voor een in Nederland geboren of werkzame kunstenaar, die bewezen heeft ‘opmerkelijk getalenteerd’ te zijn en zich nog ‘breder en dieper’ zal ontwikkelen. De Johannes Vermeer Prijs is mede bedoeld om dat mogelijk te maken. Wie als de jury van de Johannes Vermeer Prijs de bijzondere en zeer persoonlijke wijze in ogenschouw neemt waarop Pierre Audi nu al 21 jaar lang de artistieke directie heeft gevoerd over De Nederlandse Opera kijkt inderdaad naar een groot en indrukwekkend oeuvre, dat overigens nog lang niet afgesloten is. Pierre Audi beschouwt zichzelf als ‘mid career’ , als nog volop in ontwikkeling en op zoek naar steeds nieuwe mogelijkheden om mensen via het podium te bereiken en te ontroeren. Naast zijn werk voor De Nederlandse Opera is hij sinds 2004 ook actief als artistiek directeur van het Holland Festival. Ook internationaal wordt er een groot beroep op hem gedaan, in München, Salzburg, Brussel, Stockholm, Parijs en New York is hij een graag geziene gast als regisseur.

2009 is het eerste jaar dat de Johannes Vermeer Prijs wordt uitgereikt. In de naam van de prijs wordt alleen tot uitdrukking gebracht dat de prijs bedoeld is voor artistieke prestaties op het hoogste niveau. De prijs kan in ieder van de kunstdisciplines worden toegekend, van dans tot design, van schilderen tot schrijven, van mode tot muziek. Bewezen kwaliteit en gebleken continuïteit zijn de belangrijkste criteria voor toekenning van de prijs, die is ingesteld op initiatief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die de prijs ook toekent en uitreikt. De jury van de prijs bestond dit jaar uit Victor Halberstadt, voorzitter, Maarten Asscher, Judith Belinfante, Jos de Pont en Paul Schnabel, ondersteund door de Boekmanstichting in de persoon van Suzanna de Sitter, Cas Smithuijsen en Marielle Hendriks. Het besluit van de jury om Pierre Audi als eerste ontvanger van de Johannes Vermeer Prijs voor te dragen, was unaniem en is uit overtuiging en met enthousiasme genomen. Met deze voordracht spreekt de jury haar grote dankbaarheid uit voor wat Pierre Audi voor het artistieke en muzikale leven in Nederland tot stand heeft weten te brengen. Nederland is een volwassen operaland geworden!

In de jury van de Johannes Vermeer Prijs 2009 hadden zitting Victor Halberstadt, voorzitter, Maarten Asscher, Judith Belinfante, Jos de Pont en Paul Schnabel.