Het is op zich al buitengewoon eervol om de Johannes Vermeer Prijs te mogen ontvangen. Maar om als eerste laureaat de eerste Staatsprijs voor de Kunsten te mogen ontvangen is een verantwoordelijkheid die zowel intimideert als tot nederigheid stemt. In veel opzichten herken ik dat gevoel: zo voelde ik mij ook toen ik in 1988 door het toenmalige bestuur werd benoemd tot de nieuwe artistieke directeur van De Nederlandse Opera.

Gelukkig kreeg ik toen de wijze woorden mee: “Je hebt het recht om te mislukken”; voor mijzelf was vooral van belang: dat ik moest durven. Daarna begon pas tot mij door te dringen wat de omvang en de eisen waren van het werk waar ik ja op had gezegd.

Ik had het voorrecht die rol te mogen spelen samen met - en vooral dankzij - de bijzondere steun, kunde en visie van mijn collega Truze Lodder. Zo kon ik mijn rol spelen in het creëren van het oeuvre dat hier vandaag met deze prijs wordt geëerd.

In de internationale wereld van prijzen en bekroningen zijn de podiumkunsten zelden prominent aanwezig. En dan bedoel ik in het bijzonder de bijdrage van regisseurs en programmeurs - producers - artistiek leiders. Gelukkig is onze kunst op haar best als zij bloeit in actualiteit en vergankelijkheid. Onderweg naar vergetelheid, levend in het heden en zonder spijt: dat is de beste houding om ons werk te benaderen.

Podiumkunsten kunnen niet overleven bij L’art pour l’art alleen; zij hebben tot taak om een precair evenwicht te bewaren tussen het prikkelen van de zinnen, de fantasie en het intellect van een veeleisend publiek. Daarnaast moeten zij - en dat geldt voor de grote, gesubsidieerde organisaties - die geldbedragen rechtvaardigen door voorstellingen te produceren voor de podia van grote theaterhuizen.

Voor dit werk bestaat geen gegarandeerde succesformule.

Toen ik mijn werk in Nederland begon kon ik bouwen op mijn instinct, mijn kosmopolitische achtergrond en mijn onvoorwaardelijke liefde voor opera. Mijn grote onervarenheid - sterker nog: mijn onschuld - hielp mij om als regisseur en artistiek leider beslissingen te nemen die ik vandaag de dag onmogelijk meer zou kunnen nemen. Dat, én een dosis geluk, én het bijzonder open culturele klimaat waar wij ons in dit land gelukkig mee mogen prijzen, is beslissend geweest voor mijn ontwikkeling in de afgelopen twintig jaar.

Wat mijzelf betreft: ik heb naar beste weten geprobeerd om te doen wat er van mij verwacht werd. Ik realiseerde mij al snel hoe ongelooflijk bevoorrecht ik was om ondersteund te worden door uitzonderlijk goede teams. Het maakte mijn werk tot een bron van grote vreugde om projecten te realiseren die tot het meest ambitieuze horen wat er in een operahuis mogelijk is. En ook al is er sprake van veel stress - die vreugde wordt door de jaren niet minder - eerder het tegendeel.

Het vereist een onwaarschijnlijke hoeveelheid teamwork om elk seizoen de programmering van De Nederlandse Opera én elk jaar een editie van het Holland Festival te realiseren. Hoe kan ik vandaag deze prijs níet delen met al die collega’s, ex-collega’s, vakmensen van alle afdelingen binnen onze organisaties en alle kunstenaars die nu en vroeger betrokken waren en zijn bij alle producties. Deze prijs is het resultaat van al hun bijgedragen en daarvoor zal ik eeuwig dankbaar zijn.

Waarom is opera zo essentieel gebleken in mijn leven en werk? Waarom is het zo belangrijk voor mij om de podiumkunsten te vieren met het programmeren van een festival?

Het antwoord op die vragen heb ik vandaag maar voor een deel paraat. Dat maakt mijn dankbaarheid jegens de jury van de Johannes Vermeer Prijs nog groter, omdat zij een zoektocht stimuleren die meer wordt bepaald door vragen, dan door antwoorden. En die zoektocht is vitaal en nog lang niet ten einde. Elke productie, elk seizoen en elk festival gaat nog steeds over de noodzaak om te leren, te ontdekken en te ervaren.
En het belangrijkste: het werk gaat door wanneer de lauwerkransen verwelkt zijn en nieuwe uitdagingen wachten - inclusief de evaluatie van de onvermijdelijk gemaakte fouten. Dat is het credo van iedereen die in het theater werkt. Dat is de wrede aard van onze kunst, maar daarin ligt ook de bron van haar vernieuwing en continuïteit.

Mijn optimisme over de kunst is terug te voeren op mijn achtergrond; ik ben afkomstig uit een merkwaardig land: Libanon - een wereld van paradoxen, extreme maatschappelijke ongelijkheid en wisselvallige identiteiten, een gewelddadige wereld waardoor ik al vroeg vraagtekens zette bij mijn omgeving en mijn eigen rol daarin. En misschien heeft dat ertoe geleid dat ik de problemen op mijn weg effectiever en uiteindelijk succesvoller kon aanpakken dan onder normale omstandigheden te verwachten was. De kunst was de enige effectieve manier om de wreedheid, de absurditeit van het leven en de alomaanwezige dood onder ogen te zien en te sublimeren.

Film leek mij het directe en persoonlijke medium om mijzelf in uit te drukken, tot ik ontdekte dat muziekdrama een werkterrein biedt waar je een brug kunt slaan tussen de diepste emoties van de menselijke geest en de grote levensthema’s, en dat er geen kunstvorm is die zich daarmee kan meten qua reikwijdte en tijdloosheid.

Het is waar dat muziekdrama een kleiner publiek bereikt dan film. Maar als opera / muziekdrama / muziektheater tot bloei gebracht kan worden zoals in Amsterdam, bevrijd van het uiterlijk vertoon van een eeuwenoude traditie, dan is het uiterst relevant en kan een publiek emotioneel en intellectueel stimuleren op zulke verschillende manieren, dat haar status als DE kunstvorm van de 21ste eeuw naar mijn mening verzekerd is.

Mijn zoektocht werd al die jaren een nog groter genoegen door de hoge kwaliteitsnormen waar wij in het Nederlandse muziekleven mee gezegend zijn. Zowel De Nederlandse Opera als het Holland Festival moeten niet alleen aan die normen voldoen, maar ze nog verhogen, om een sophisticated publiek contact te laten houden met het allerbeste, en om het potentieel van beide organisaties ten volle te benutten.
Het resultaat mag niet het meest uitgesproken en radicaal zijn, maar mijn droom was dat het cosmopolitisch moest zijn en bovenal, dat het zich ondubbelzinnig zou richten op het contact met de levende componist als bron van evolutie en hoop van deze kunstvorm. Ik ben ons publiek dankbaar, dat het mij de kans heeft gegeven om deze visie consequent trouw te blijven. Want het is die luxe om trouw te blijven aan wat in de meeste andere landen zou zijn afgedaan als bizar en onverantwoordelijk, waardoor wij onze kwaliteitsnormen zo lang op zo’n hoog niveau hebben kunnen handhaven.

Er zal een tijd komen om de fakkel door te geven. Vandaag geeft deze prijs mij de verzekering dat die fakkel gezien en erkend wordt en dat zijn vlam even vurig en ambitieus zal blijven branden als de afgelopen twintig jaar.

Ja, het is essentieel om in de donkere tijden waarin wij leven de kunst te koesteren en te stimuleren. Mijn benadering is altijd geweest: innovatie, met een terugkoppeling naar klassieke, tijdloze waarden - met andere woorden: traditie. Collega’s die ik bewonder en die een andere benadering hebben, heb ik altijd gesteund en daar vaar ik wel bij. Zo blijft het mogelijk om vragen te stellen en verhalen te vertellen, opnieuw te vertellen en te bedenken. Zo ontstaat een ononderbroken stroom die, terecht, droom en werkelijkheid in elkaar laat verglijden en onze nieuwsgierigheid blijft stimuleren.

Ik wil mijn idealen trouw blijven en het geldbedrag dat aan deze prijs verbonden is, bestemmen om kansen te scheppen voor een nieuwe generatie Nederlandse componisten, operaregisseurs en ontwerpers. Dat is een gecompliceerd gebied en ik voel de noodzaak om daar meer aandacht aan te besteden.

In samenspraak met collega’s van De Nederlandse Opera en het Holland Festival en met enige onafhankelijke adviseurs wil ik een jonge componist de opdracht geven om een nieuwe kameropera te schrijven, in samenwerking met een productieteam, dat zich tot nu toe nog niet op deze manier heeft kunnen manifesteren. Ik wil het project zelf begeleiden en beide organisaties overtuigen om het werk in productie te nemen. Het geld van de prijs zal verdeeld worden tussen de honoraria en een deel van de productiekosten.

Het oeuvre van Johannes Vermeer staat voor perfectie, meditatieve rust en een besef van tijd en ruimte. Het zijn principes die in opera niet altijd gevolgd of nagestreefd worden, in tegendeel. Maar waar die twee werelden elkaar raken is in hun viering van de ‘noblesse’ van de menselijke waardigheid. Dat is de boodschap in het hart van de werken die het langst overleven en het meest tot ons spreken.

Het is vooral deze visie die richting heeft gegeven aan mijn weg als theaterregisseur. De verhalenverteller in mij heeft een manier gezocht om geaccepteerd te worden in een wereld waar vooral chaos en deconstructie mode en norm zijn. De producer in mij gedijt bij het samenspel tussen deze twee visies.

De eminente jury van de Johannes Vermeer Prijs doet met zijn keuze voor mij ook de uitspraak, dat cultuur een levende activiteit is die bloeit in de interactie van kunstenaars en samenleving. Voor mij is het een activiteit die steeds opnieuw geherwaardeerd en bevestigd wordt - iedere keer dat het doek opgaat.

Die gedachte impliceert dat de beste manier om vandaag deze prijs in ontvangst te nemen is: om morgenochtend te vergeten dat ik hem ooit gekregen heb.

Pierre Audi
Brussel
23 oktober, 2009