Dankwoord Alex van Warmerdam
bij het aanvaarden van de Johannes Vermeer Prijs, staatsprijs voor de kunsten

Delft, 15 november 2010

Geachte jury, staatssecretaris, familie en vrienden,

Als je op een doordeweekse dag wordt gebeld en een stem vertelt je dat jou een staatsprijs is toegekend, komt dat hard aan. Het is een grote eer, dat besef je wel, maar wat is dat eigenlijk: een grote eer? Wat voor gezicht moet je daarbij trekken? ‘Mijn God,’ denk je, ‘Ik ben gezien, ze hebben me in de gaten.’
Je krijgt het gevoel een instituut te worden binnengetrokken, een donker gebouw waarvan niemand weet waar het staat. Je wordt er een paar dagen verwend, daarna wordt je huid grauw en er komt niets meer uit je handen.
De eerste dagen doet je vrouw nog navraag naar je, vraagt zich af waar je bent gebleven. De derde dag van de gevangenschap zie je haar vanuit een klein raampje op de derde verdieping bij de poort staan, maar de wachter, opgeleid door de staat, dus slim, handig en meedogenloos, poeiert haar af. En terwijl je haar nakijkt voel je een troostende hand op je schouder. Je draait je om, het is Pierre Audi, de laureaat van vorig jaar. Hij ziet er slecht uit en het glimlachje dat hij met moeite tevoorschijn tovert biedt geen enkele hoop.
Nu, vele maanden na dat telefoontje, is het donkere gebouw waarin ik mij zag opgesloten vervaagd en sta ik hier, oprecht vereerd met deze prijs, verlost van alle demonen. Bijna alles waar ik vandaag voor geëerd word is mede dankzij overheidsgeld tot stand gekomen. Dat het gezegd is, want er waait de laatste tijd een kleingeestige wind over ons land waaruit steeds luider rancuneuze stemmen opklinken tegen de kunsten.

Mijn vader was toneelknecht in de Haarlemse Schouwburg, maar kreeg de dienstwoning toegewezen boven het concertgebouw. Daar werd ik geboren. Links van het concertgebouw stond het pand van Enschedé, daar werd het geld gedrukt. Tegenover onze woning was het gerechtsgebouw. Uit onze woonkamer keek je zo de rechtszaal binnen en zag je de rechter zitten, en ons keukenraam bood zicht op een binnenplein waar een koorddanserechtpaar oefende.
Iets verder de straat in zaten de hoeren. Ik wist natuurlijk niet dat het hoeren waren - ik was vier, vijf jaar - ik dacht dat het vrouwen waren zonder man en kinderen die zich verveelden en naar buiten keken voor wat afleiding.
In de slaapkamermuur naast mijn bed zat een klein gaatje en als er ’s avonds een concert was kon ik door dat gaatje de dirigent zien.

We verhuisden naar de Hannie Schaftstraat in Haarlem-Oost. We keken uit op het slachthuis. Ik kreeg een wigwam voor mijn verjaardag en een indianenpak.
Op een zomerdag kwam ik terecht in het slaapkamertje van Harry Opdam, een jongen uit de straat waar ik wel eens mee speelde. Hij sloot de gordijnen, pakte een onbeduidend vaasje van de vensterbank, haalde zijn piemeltje uit zijn broek, propte het met zijn pink in het vaasje en keek me triomfantelijk aan. En dat was het. Hij stopte zijn piemeltje terug in zijn broek, zette het vaasje op de vensterbank en deed de gordijnen weer open.

Rond mijn negende jaar maakte mijn vader promotie, hij werd toneelmeester in Den Bosch. Wij verhuisden naar West II, een zandvlakte aan de rand van de stad. Wij bewoonden de eerste straat op die vlakte. Katholieke gezinnen, veel kinderen.
Onze buurman werd gearresteerd op verdenking van ontucht met enkele van zijn dochters.
Halverwege de route tussen ons huis en lagere school was een stortplaats van houtschilfers. Op die metersdikke laag had zich een bos gevormd dat ‘het zwarte woud’ werd genoemd. Het was er link: de bodem was een deinende pulpmassa. Als je stilstond zakte je weg, maar er was nog een reden om er zo snel mogelijk doorheen te lopen: je kon gepakt worden door de grote jongens. Dan werd je aan een boom gebonden en gemarteld.
Ik ontmoette John Koert toen ik dertien jaar was. Hij woonde in de binnenstad van Den Bosch in een groot huis waar ik nooit iemand anders heb gezien dan John zelf. Hij was een paar maanden ouder dan ik, kon heel goed tekenen en durfde alles. Hij zorgde voor de grondstoffen om een bom te maken, zodat we vuilnisbakken konden laten ontploffen. We vonden samen een lijk in de Dieze, de rivier die grotendeels onder de stad doorstroomt. En achter het altaar in de St. Janskathedraal ontdekten we een deur die niet op slot was. Zo kwamen we via een oneindige wenteltrap op de hoogste transen van de St. Jan. We zagen de monsters en de duivels die op de bogen zaten van zeer dichtbij. Er liepen daarboven letterlijk paden van asfalt. Je zou er kunnen fietsen. Daarom had John op een dag een flinke kinderfiets bij zich die helaas al na enkele treden muurvast kwam te zitten.

Mijn vader werd toneelmeester in IJmuiden. Nu kwamen we boven de schouwburg te wonen. Ik was veertien jaar.
Mijn broers en ik zagen niet alleen veel toneel, maar ook films, want de schouwburg was in het weekend een bioscoop. Soms hielpen we mijn vader met het schilderen en opbouwen van de decors. Dat was allemaal normaal.
Maar IJmuiden zelf was niet normaal. IJmuiden was lelijk. De zee was vlak en leeg, de hoogovens stootten grauwe en giftige dampen uit die bij noordenwind neersloegen op het wasgoed. De visafslag stonk. Aan de overkant van het kanaal was het beter niet te komen, want daar werd je in elkaar geslagen. ’s Nachts in bed hoorde je de misthoorns. Ze kwamen mij voor als geesten die je het hiernamaals probeerden in te trekken.
Op vrije dagen dwaalde ik door de duinen, liep naar het einde van de pier en weer terug en zocht vergeefs op het strand naar aangespoelde voorwerpen. Ik maakte niets mee, op de pier kwam ik niemand tegen en in de duinen van IJmuiden heb ik nog nooit een konijn gezien. In Haarlem en vooral in Den Bosch kwamen de avonturen als vanzelf op mijn pad, maar in IJmuiden was er slechts grijze leegte en moest ik mijn heil zoeken in mijn verbeelding.
Later hoorde ik van mijn negen jaar jongere tweelingzusjes dat zij rond hun twaalfde willekeurige jongens van hun fiets trokken en in elkaar sloegen. Dat is natuurlijk ook een goede methode om IJmuiden te weerstaan, maar zij waren met z’n tweeën en die eerste tijd in IJmuiden was ik alleen.
Na dat eenzame begin liet IJmuiden zich van een andere kant zien: mijn vader richtte het Witte Tejater op, waaruit Hauser Orkater ontstond dat zes jaar later in Londen, Rome en vooral Parijs furore maakte.
Laatst vertelde mijn moeder dat ze een briefje had gestuurd naar het Haarlems Dagblad, omdat het in een artikel had beweerd dat ik in IJmuiden was geboren. Ik zei dat dat in zekere zin wel waar was.
‘Maar jongen, wat zeg je nu toch weer allemaal?’ zei mijn moeder, ‘Je bent geboren in Haarlem.’
‘Jawel, ik ben geboren in Haarlem, in Den Bosch ook een beetje, maar het meest geboren ben ik toch in IJmuiden.’
Behalve aan IJmuiden ben ik dank verschuldigd aan vele mensen. Enkele daarvan wil ik noemen.
Mijn ouders dank ik voor de vrijheid die zij mij altijd hebben gelaten en dat zij mij ondanks hun dreigementen als ik weer eens onhandelbaar was niet in een internaat hebben gestopt.
Marc Felperlaan, de cameraman van mijn eerste vier films en Tom Erisman van mijn laatste drie films dank ik voor hun nimmer aflatend enthousiasme, hun ontelbare verbeteringen en ideeën.
Ik dank Vincent, mijn jongste broer, voor de altijd fijnzinnige muziek die hij voor veel van mijn theatervoorstellingen en films heeft gecomponeerd. Ik dank alle acteurs en alle muzikanten met wie ik gewerkt heb.
En dan natuurlijk Orkater. Onder dat dak heb ik met de Mexicaanse Hond al mijn voorstellingen gemaakt. Orkater is een losse, maar goed lopende organisatie waar nooit gezucht of gesteund wordt. Mijn broer Marc, de directeur, noem ik niet, want die komt zo aan de beurt. Ik noem zakelijk leider Nicolien Luttels, altijd in een goed humeur, snel, alert, alle touwtjes in handen.
Ik dank allen van het Stedelijk Museum te Schiedam die de tentoonstelling van het afgelopen voorjaar mogelijk hebben gemaakt, maar vooral Wilma Sütö, de conservator die de tentoonstelling samenstelde.
Mijn zonen Mees en Houk dank ik omdat ze er zijn, omdat ze een eigen mening hebben en gevoel voor humor en omdat ze, toen ze nog klein waren, niet wilden dat ik ze voorlas als ik ze naar bed bracht. Het moest verzonnen worden. Zo ontstond Jan Willem van Henegouwen, de middeleeuwse vorst die bij volle maan uit zijn graf kwam, de krankzinnige koster en Mannetje Pim en hondje Puk die uitgehongerd door een desolaat berglandschap zwierven en dan midden in die eenzaamheid op een friettent stuitten.

Afgelopen voorjaar toonde het filmfestival van Praag een retrospectief van mijn films. Op een avond belandde ik met een Engelse, een Japanse en een Vlaamse regisseur in de bar van het hotel. Vrijwel onmiddellijk ging het gesprek over hoe moeilijk het was een film gefinancierd te krijgen. Ik zei niet veel, dat viel op, want uiteindelijk vroegen ze: ‘En jij, hoe kom jij aan je geld?’
‘Ik heb een broer,’ zei ik. Ik legde uit wat mijn broer allemaal deed om niet alleen mijn films, maar ook mijn theaterwerk mogelijk te maken. En dat wij elkaar volledig vertrouwden, geen dubbele agenda, geen zakkenvullerij.
‘Wij willen ook zo’n broer!’ riepen ze uit.
Meer dan deze anekdote heb ik niet nodig om duidelijk te maken hoe gemankeerd ik zou zijn zonder Marc.
En dan natuurlijk mijn vrouw Annet Malherbe. Zonder haar zou mijn leven vreugdeloos zijn. Annet denkt groot: ‘Je leeft maar een keer en als er iets te vieren valt, moet je het doen.’ En niet met twee kennissen en een toastje smeerworst, maar met alle vrienden, met oesters en gebraad en drank en rare spelletjes tot het ochtendgloren. Behalve deze vreugde en nog vele andere vreugden die zij mij schenkt, doet zij niet alleen de casting van mijn films, zij speelt er ook in, evenals in veel van mijn theaterstukken. En zij is mijn kompas als ik dreig een doodlopend pad in te slaan.
Als laatste dank ik de jury en om haar te tonen dat ik niet op mijn lauweren ben gaan rusten zal ik tot slot, maakt u zich geen zorgen: de korte openingsmonoloog van mijn nieuwe voorstelling genaamd: Bij het kanaal naar links voorlezen.
U moet zich voorstellen: het zaallicht gaat uit. De heer Meyerbeer komt op en richt zich tot de zaal.

‘Goedenavond.
Het is werkelijk fantastisch wat er daarbuiten in de straten en op de pleinen allemaal gebeurt. Niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en de gehuchten is iedereen opgewonden en strijdvaardig. Ontroerend te zien wat de mensen allemaal geborduurd hebben en hoe het wappert aan de masten.
In Karpershoef is een varken geslacht door de burgemeester. Met de moker. In twee klappen was het gedaan.
In Tilburg hebben ze gelachen. Marouschka heeft gezongen, met een zwaar accent, de mensen konden haar niet verstaan. De wethouder gooide als eerste een steen, het publiek volgde. Ja, Jezus, Marouschka, maak je verstaanbaar en wij zullen je loven. Marouschka ligt in het ziekenhuis en is aan de beterende hand.
Wij zijn geen monsters.
Johannes van Reijn heeft een musical geschreven over ons, over wat wij denken en voelen. De première was afgelopen middag in Brussel. De berichten melden een uitzinnig publiek. Als een uiting van pure vreugde is later op de avond het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in de fik gestoken.
Mevrouw Moreel uit Antwerpen heeft de voortuinenwedstrijd gewonnen en de blonde meisjestweeling uit Oostende gaat trouwen met de gebroeders De Weert uit Santpoort-Noord, beiden slimme advocaten, eerlijke jongens met een moestuin. Kijk, zo komen we verder. We staan aan de vooravond van een vrije wereld. En het is ook nog eens mooi weer, een zachte bries, een warme zon. En dat is niet voor niks. God is met ons, mensen. En dat is wel eens anders geweest.
Ik zie een volle zaal. Buiten gebeurt het, maar u bent allen naar hier gekomen. Ik weet niet of u daar goed aan heeft gedaan. Ik raad u aan uw verwachtingen laag te spannen.’

De heer Meyerbeer gaat af.

Ik dank u allen.