De Johannes Vermeer Prijs is de Nederlandse staatsprijs voor de kunsten. Hij wordt elk jaar toegekend en uitgereikt door de bewindspersoon van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De prijs bestrijkt het brede spectrum van alle artistieke disciplines en ligt in principe binnen het bereik van elke in Nederland wonende of werkende kunstenaar.

Bij het selecteren van kandidaten speurt de jury elk jaar opnieuw naar scheppend talent dat zich onderscheidt omdat het zijn visie, verhaal, verbeeldingskracht met een bijzondere inzet van artistieke middelen naar buiten draagt. De jury vindt het van niet minder belang dat de mogelijke prijswinnaar beschikt over het vermogen om met zijn of haar werk experts, liefhebbers en het grote publiek aan te spreken, uit te dagen of te ontroeren. Op beide gronden werden eerder Pierre Audi en Alex van Warmerdam als prijswinnaars voorgedragen. Audi won de prijs in 2009 vanwege de onnavolgbare manier waarop hij muzikaal drama tot muziektheater weet te ensceneren. En Alex van Warmerdam kreeg de prijs in 2010 omdat hij zijn onalledaagse verhalen voorbeeldig uitwerkt in film, toneel, beeldende kunst en literatuur.

In 2011 draagt de jury op basis van soortgelijke overwegingen de fotograaf Erwin Olaf Springveld (Hilversum, 1959) voor. Ook voor hem geldt dat hij heer en meester is over zijn artistieke middelen. Maar vooral dat hij die middelen inzet om een boodschap uit te dragen die voor vakgenoten en het grote publiek betekenis heeft: niemand kan bij het zien van zijn foto’s onaangedaan of afzijdig blijven. Ter onderbouwing van het juryoordeel volgen hieronder drie observaties die uiteindelijk leidden tot de unanieme aanbeveling.

Beelden die dramatisch werken

Bij Olaf gaat een leidend idee, thema of gedachte vooraf aan het beeld. En hij thematiseert krachtige ideeën. Hij houdt zich bezig met de maatschappelijke impact van religie, geweld, erotiek, ouderdom, afwijkende lichaamsvormen en sociale uitsluiting - de opsomming is verre van uitputtend. Zijn personages vertonen een bonte diversiteit: bodybuilders, vrouwen op leeftijd, kinderen, dwergen, travestieten, geestelijk gehandicapten, clowns, satyrs en gekroonde hoofden. Olaf laat zijn personages verschillende rollen spelen en als regisseur monteert hij die rollen in een dramatisch beeldverhaal.

Olafs personages worden in situaties bijeengebracht die ten gevolge van bijzondere decors en uitlichting niet zelden bizar overkomen. Ze zijn nu eens geïmpregneerd met zwarte humor, dan weer verstild of hyperesthetisch. In zijn werk vindt de traditie van het ‘tableau vivant’ een nieuwe en tot in het kleinste detail geperfectioneerde vorm. In één beeld wordt een heel verhaal neergezet. Soms een verhaal dat we als toneelstuk of film al kennen, soms een verhaal dat we zelf kunnen vertellen op geleide van de mise-en-scène van de foto. Zo toont de ‘American dream’ van de jaren vijftig zich in het licht van een nachtmerrie. Evenzo ligt in de utopie het noodlot verborgen, en in de orde van de burgerlijke samenleving de onafwendbare depressie.

In alle gevallen zijn de situaties geconstrueerd. Ten behoeve van aansprekend drama worden elementen in de voorstelling gereguleerd, geaccentueerd of juist getemperd, van het licht tot het kleinste detail in de kleding, de val van de plooien in een rok. Op die wijze bouwt Olaf consequent aan zijn dramatisch-realistische oeuvre, waar momentopnamen verwijzen naar wat er aan de afgebeelde scène vooraf ging en wat er mogelijk op volgt. Felrode bloedspatten op het glanzend witte damast roepen zo’n effect van tijdsverloop op en maken van een vaste afbeelding een bewegend verhaal. En in Olafs oeuvre als geheel zit ook een ontwikkeling, een verloop. De uitbundige verbeelding van kermis en theater maakt geleidelijk plaats voor meer intimiteit en ingetogenheid, kenmerkend voor de sfeer in hotels en slaapkamers. In later werk wordt de atmosfeer nog belangrijker, minstens zo belangrijk als het accurate beeld.

Traditie en innovatie

Olaf is een kosmopolitisch kunstenaar met een bijzondere belangstelling voor beeldcomposities en -kwaliteiten die al eerder door kunstenaars in beeldende disciplines werden gerealiseerd. Zo laat hij zich gaarne beïnvloeden door 20ste-eeuwse Amerikaanse kunstenaars als David Lynch, Edward Hopper, Andy Warhol, Robert Rauschenberg, Nan Golding, Richard Avedon en Robert Mapplethorpe. Maar ook door Europese cineasten als Alfred Hitchcock, Luchino Visconti en Pier Paolo Pasolini. De invloed van al deze namen is duidelijk herkenbaar in de beeldcompositie en in het bijzondere licht dat de foto’s van Olaf kleurt. Dat wordt op zijn beurt weer in verband gebracht met het Californische licht dat de klassiekers uit Hollywood kenmerkt. De expressiviteit (en soms sinistere atmosfeer) van zijn foto’s is daar voor een groot deel uit te verklaren.

Olaf imponeert daarnaast door de innovatieve wijze waarop hij de vrijwel onbegrensde mogelijkheden van de digitale fotografie weet aan te wenden en uit te buiten. De mogelijkheid van het manipuleren van foto’s - in sommige kringen nog bekend staand als een dubieuze praktijk - eigent hij zich als geen ander toe om aan foto’s extra artistieke waarde toe te voegen en zijn personages te plaatsen in contexten die in het ondermaanse niet mogelijk werden geacht.

Een rijkgeschakeerde carrière

Olaf bouwt zijn fotografisch oeuvre op binnen een zeer gemengde beroepspraktijk van opdrachten, vrij werk, modefotografie, reclame en museale projecten. Sinds het succes van de serie Chessmen (1988) is hij ook op de internationale markten doorgebroken. In Nederland en daarbuiten maakte hij reclamefoto’s voor Camel, Heineken, Centraal Beheer, Diesel Jeans, Lavazza, en zelfs lp-hoezen voor de platenindustrie of ook reclamefoto’s voor RoB Amsterdam, waar de fantasie van de homo als macho wordt uitgeleefd. Vanuit de theaterwereld krijgt hij opdrachten voor het maken van affiches. Voor het weekblad Vrij Nederland maakte hij fotoreportages. Hij heeft ook fotoseries gemaakt over (de vormgeving van) meubels. Olaf heeft geen moeite om commerciële fotografie met kunstfotografie te mengen. Hij vindt het vanzelfsprekend dat je zelf ruimte voor vrij werk moet maken met de verdiensten uit opdrachten.

Met zijn foto’s wil Olaf een wereld bouwen waarin zijn fantasie leidend is. Hij kan provoceren, choqueren, ontroeren, troosten of berusting uitstralen, maar dat gebeurt steeds onder de voorwaarde van een optimale esthetische kwaliteit. Het werk roept daardoor ook zeer uiteenlopende reacties op: telkens opnieuw weet Olaf de opinies te mobiliseren. Al meer dan een kwarteeuw ziet hij kans een aanhoudende stroom van reacties, discussie en kritiek op te roepen, maar hij krijgt ook veel bijval, zeker in recentere jaren. De jury constateert dat hij al die jaren onophoudelijk nieuwe beelden heeft gemaakt, waarbij zijn onuitputtelijke voorstellingsvermogen zijn gids was. Zij draagt Olaf voor in de vaste overtuiging dat hij zijn publiek zal blijven verrassen met nieuwe beelden, bewegend en stilstaand, ontwapenend en ontroerend, en zonder twijfel van tijd tot tijd onthutsend.

De jury van de prijs bestaat uit Victor Halberstadt (voorzitter), Judith Belinfante, Janine van den Ende, Hans Goedkoop en Paul Schnabel.