Uitreiking Johannes Vermeerprijs 2011 aan Erwin Olaf
door staatssecretaris Halbe Zijlstra

“Ik heb de controverse aan mijn kont hangen”. Dit citaat van Erwin Olaf zegt veel over hemzelf, over zijn onbevangen en directe manier van spreken. Maar ook inhoudelijk is er geen speld tussen te krijgen, want het werk van Erwin Olaf heeft altijd al veel losgemaakt. Niet vanuit effectbejag, maar vanuit de durf om een statement te maken.

Fotografie is een kunstvorm waar je lef en liefde voor nodig hebt. Liefde voor het ambacht: vroeger voor de analoge tovenarij in de donkere kamer, en tegenwoordig voor de digitale technieken van de moderne camera. Maar ook liefde voor de mensen en de voorwerpen die je fotografeert.

En als je lef hebt, dan kun je ook het onbekende in beeld brengen met een foto die prikkelt. Een opname die je uit je ‘comfort zone’ drukt, die in je hoofd gaat zitten en die je mee naar huis neemt om er nog eens goed over na te denken.

Erwin Olaf: u hééft dat lef. Uw foto’s zijn nooit gewoon, ze hebben altijd een twist, er is altijd iets mee. Soms heel duidelijk, want u heeft vaak mensen gefotografeerd die in deze samenleving zelden aan bod komen. Zelf zei u hierover, ik citeer: “Mensen die er niet bij mogen horen en er desondanks heel erg graag bij wíllen horen, daar hou ik van.” U kiest dan ook niet de standaard modellen, maar mensen die anders zijn - en daar doet u iets bijzonders mee, zodat ook de foto heel bijzonder wordt.

Omdat u uw eigen geaardheid nooit onder stoelen of banken hebt gestoken, is het logisch dat homoseksualiteit een van de terugkerende thema’s in uw werk is. Dat begon toen u zich in 1982 vestigde als zelfstandig fotograaf, en voor het COC-blad een portret maakte van Hans van Manen. Hij hielp u met het opzetten van uw eigen studio, en hij bracht u in aanraking met het werk van Robert Mapplethorpe en Paul Blanca.

Maar homoseksualiteit was voor u als thema te beperkt. U had het lef om nog veel verder te gaan, en u choqueerde de wereld met bondage en bodybuilders, met dwergen en dikke dames, met fashion victims en fetish. U kreeg bekendheid als de chroniqueur van de gespeelde decadentie. U creëert een onechte wereld, die u er zo echt mogelijk uit laat zien.

Voor sommigen was dat nog iets te verwarrend. Toen u in 1998 in New York de serie Mature exposeerde, bleek dat Amerika nog niet toe was aan bejaarde pinups. Het was kennelijk te confronterend. Een bezoeker zei boos tegen de galeriehouder: “Ik wil niet kijken naar oude knieën.” Deze tentoonstelling werd dan ook een monumentaal fiasco.

U nam dat voor lief, u ging gewoon door met datgene wat u wilde maken. Series als Squares en Chessman maakten veel tongen los. En uw spraakmakende reportage SM in Holland voor het blad Vrij Nederland was zó’n schandaal, dat de hele oplage van die editie binnen één dag was uitverkocht.

U heeft er nooit een geheim van gemaakt dat u als fotograaf een goede boterham wilt verdienen. Commerciële opdrachten voor grote bedrijven stellen u in staat om ook het vrije werk te maken, de verbeelding van uw persoonlijke artistieke drijfveren. Bovendien vindt u het belangrijk voor uw ontwikkeling om niet enkel kunst te maken. U wilt dat er iets met u gebeurt, dat u in beweging blijft, dat u telkens nieuwe uitdagingen krijgt.

Wie uw werk van de afgelopen 30 jaar op volgorde legt, ziet een duidelijke ontwikkeling. Het is nog steeds excentriek, maar het is ook ingetogener geworden. Van roes ging u naar rust, van maskerade naar ontmaskering. Leren slipjes, gehoornde maskers en dikke, ingesnoerde vrouwen hebben plaats gemaakt voor personages die zo uit de jaren vijftig lijken te komen. Boksers, kappers, schoolmeisjes en huisvrouwen staan in fletse technicolor tinten wat verloren naar de camera te kijken. Je ziet Amerikaanse accessoires, en toch ademen de foto’s een typisch Nederlandse sfeer uit.

Je ziet een grote leegte, je ervaart apathie, en tegelijkertijd is er sprake van vrolijke treurigheid. U gebruikt humor om uw punt te scoren. In uw eigen woorden: “Ik kietel mijn publiek en als ze beginnen te lachen, krijgen ze een klap in hun smoel.”

U maakt wat u zelf wilt maken, en u zet dit op diverse podia neer om een breed publiek te bereiken. New York is in tweede instantie ook voor u gevallen, daar is het weer helemaal goed gekomen. En dit jaar is uw werk te zien in Berlijn en Beijing, in Melbourne en Madrid, in Los Angeles en in de Lakenhal, waar uw tentoonstelling ‘Vrijheid! Leidens Ontzet 1574-2011’ al door velen is bewonderd. Deze foto’s getuigen van een enorm perfectionisme, en van een letterlijk en figuurlijk schilderachtige schoonheid. U heeft hier een nieuw genre geschapen, de ‘historische fotografie’.

Het is knap hoe u de wereld op zijn kop zet, of gewoon een knipoog geeft. Met figuren die afwisselend kil of kwetsbaar zijn. Met een jas met een rits of een iPod op uw versie van het Leidens ontzet. Maar u verstaat ook de kunst om iemand van zijn allermooiste kant te belichten, bijvoorbeeld Prinses Máxima, of dat prachtige portret op de uitnodiging voor deze uitreiking - Irene uit de serie Grief. Verschillende personen, een andere blik in de camera, maar allebei herkenbaar als een echte Olaf.

Erwin Olaf: u bent een van onze grootste kunstenaars. Ik was dan ook heel blij dat de jury u voordroeg voor de Johannes Vermeer Prijs, de staatsprijs voor de kunsten. Zo meteen bent u de derde laureaat die deze prijs ontvangt. De eerste winnaar, Pierre Audi, besteedt zijn prijzengeld aan twee nieuwe muziektheaterprojecten, met een belangrijke rol voor jong Nederlands talent. Alex van Warmerdam, onze winnaar van 2010, wil het prijzengeld gebruiken voor een nieuwe film in Spanje. We zijn natuurlijk benieuwd waar u aan denkt - misschien wilt u zo meteen een tipje van de sluier oplichten.

Maar eerst wil ik u van harte feliciteren en u deze zeer verdiende prijs uitreiken. Mag ik u daarom uitnodigen om naast mij op het podium te komen?