Speech minister Bussemaker ter gelegenheid van de uitreiking van de Johannes Vermeerprijs 2015 aan Michel van der Aa

Ridderzaal, Den Haag, 26 oktober 2015

Koninklijke Hoogheid, dames en heren,

Vandaag treffen twee oude bekenden elkaar opnieuw: Michel van der Aa, en Johannes Vermeer.

In 1999 verschijnt de voorstelling Writing to Vermeer, een opera geschreven door filmmaker Peter Greenaway en componist Louis Andriessen. Hoofdrolspelers zijn de drie belangrijkste vrouwen in het leven van Johannes Vermeer: zijn echtgenote, zijn moeder en zijn model. De grote meester zelf is afwezig – in het verhaal is hij op bezoek in Den Haag om een aantal Italiaanse schilderijen te bekijken.

Het was een roerige tijd in het zeventiende-eeuwse Delft, waar Vermeer leefde. De Fransen stonden op het punt om de Nederlanden binnen te vallen; de gebroeders De Witt waren hun leven niet zeker.

In 1999 worden de toeschouwers meegezogen in die onrust door intermezzo’s, waarin beeld en geluid de historische achtergrond schetsen. Componist Andriessen besteedt de taak van het maken van deze ‘muzikale collages’ uit aan zijn voormalig leerling, Michel van der Aa. Geïnspireerd door Vermeer en zijn tijd componeert hij de elektronische muziek die de beelden begeleidt.

Vandaag, 16 jaar later, komt u, Michel van der Aa, Johannes Vermeer weer tegen. Maar nu is het niet een stuk, maar een prijs die Vermeers naam draagt. En nu bent u niet alleen een voormalig leerling, maar ook een volwaardig meester.

De Vermeerprijs is bedoeld voor grote meesters. Elk jaar reik ik hem uit aan een kunstenaar van groot statuur binnen zijn of haar vakgebied. Vandaag mag Michel van der Aa hem in ontvangst nemen. Zijn meesterschap zit hem volgens mij in twee elementen: zijn vakmanschap, en de manier waarop hij zijn publiek weet te raken. Beide zaken verdienen een plek in de schijnwerpers.

Michel van der Aas vakmanschap is uitzonderlijk. Hij is geen vakman met maar één vak – nee, hij is een ware homo universalis. Iemand die goed is in alles wat hij doet. Wie zijn werk kent, weet dat alter ego’s er een belangrijke rol in spelen – je ziet dat in One, maar ook in het nieuwe The Book of Sand. Van der Aa lijkt zelf ook wel meerdere mensen in één te zijn.

Van der Aa is opgeleid in geluidsregistratie. Maar hij is ook componist. En regisseur. En filmmaker. Toch zijn al Van der Aas persoonlijkheden onder de noemer ‘componist’ te vatten. Meneer Van der Aa, u bent een componist in de letterlijke zin van het woord.

Com-poneren. Samen-plaatsen. Het combineren van disciplines, ze tot een bonte éénheid smeden, is misschien wel uw grootste talent. Het loopt als een rode draad door uw oeuvre.

Het markeert ook uw grote doorbraak. In One combineert u de zang van een solist met beeld en geluid. Ik heb One gezien én beluisterd – één werkwoord is niet genoeg voor een echte Van der Aa – en ik was zeer onder de indruk. De solist blijft menselijk, de nadruk ligt op geluid, en het beeld echoot dat. Dat is bijzonder: de componenten van uw compositie verliezen nooit hun eigen karakter. Ze blijven herkenbaar, en vullen elkaar aan. Zo worden de zang van de solist en het geluid van een brekende tak samen een nieuw, intrigerend geheel – ontroerend mooi.

De meester zie je niet alleen terug in zijn vakmanschap, maar ook in hoe hij zijn publiek weet te raken. “Ik schrijf niet alleen notenmuziek”, heeft u eens gezegd. Die kwalificatie zou u inderdaad tekort doen. U schrijft muziek voor ogen; u componeert beeld voor het gehoor. Dat kenmerkt de ervaring van een Van der Aa. U goochelt met tijd en ruimte. Een Van der Aa kun je volgen, maar helemaal begrijpen niet. Nee, het grijpt jóu, voert je mee naar een plek die je nog niet kent. Het doet je nadenken.

Dát vind ik zeer waardevol in uw werk: de verwondering die het voortbrengt. De vragen die u uw hoofdpersonen – en uw publiek – laat stellen. Groot, maar heel persoonlijk. Wat betekent het om alleen te zijn, bang te zijn, verdrietig te zijn? – vragen uit Spaces of Blank. Of uit After Life: Als ik één herinnering mee mocht nemen naar het hiernamaals, welke zou dat dan zijn?

Ik vind dat een heel belangrijke functie van cultuur. Mensen vragen stellen. Zo krijgen we meer inzicht in onszelf, en in anderen.

Die vragen stelt u bovendien in de taal van deze tijd. Na de première van uw opera Sunken Garden in Londen in 2013, viel het de English National Opera op dat er nog nooit zoveel jongeren in de zaal hadden gezeten. Het is geweldig hoe u een eigentijdse vorm vindt voor een klassiek medium.

U liet dat ook zien bij het vioolconcert dat u vorig jaar voor Janine Jansen componeerde – het bewijs dat bij u ook de traditionele muziekliefhebber aan zijn trekken komt. Daar bleek dat u geen stopcontacten nodig heeft om een vernieuwend, indrukwekkend stuk te schrijven. Ik citeer uit een recensie: “het imponeerde hoe Van der Aa op het ruggenmerg van zijn idioom de actuele relevantie van een ‘ouderwets’ genre demonstreert”. Een eigen idioom – daaraan herkennen wij een ware meester.

Beste meneer Van der Aa, u heeft deze prijs verdiend. U bent een meesterlijk vakman die zijn publiek telkens weer weet mee te slepen. Zelf zei u eens: “je bent zo interessant als je laatste idee.” Deze prijs is een blijk van de waardering van álle ideeën die u gehad hebt. Ik feliciteer u van harte. En ik hoop dat deze prijs u inspireert en u de ruimte geeft om weer een nieuw idee te componeren.