Steve McQueen
laureaat Johannes Vermeer Prijs 2016

Juryrapport

De Johannes Vermeer Prijs, de Nederlandse staatsprijs voor de kunsten, wordt sinds 2009 uitgereikt aan in Nederland werkende kunstenaars uit alle artistieke disciplines, die over uitzonderlijk artistiek talent beschikken. De winnaars van voorgaande jaren laten zich geen van allen beperken door de traditionele grenzen tussen kunstdisciplines, en ook dit jaar gaat de prijs naar iemand die in twee vakgebieden weet te excelleren.

De jury koos dit jaar unaniem voor beeldend kunstenaar en filmregisseur Steve McQueen, omdat hij als filmmaker en kunstenaar bij voortduring en op voortreffelijke wijze het universeel menselijke belicht, vaak in situaties waarin mensen onderdrukt, onvrij en gekweld hun waardigheid bevechten en bewaren. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dr. Jet Bussemaker, heeft met deze voordracht ingestemd en de prijs aan Steve McQueen toegekend.

Leven en carrière

Steve McQueen werd geboren in 1969 en groeide op in West-Londen. Hij studeerde onder meer aan Chelsea College of Arts en Goldsmiths College in Londen en aan New York University's Tisch School of the Arts.

In de jaren negentig maakt de kunstenaar zijn eerste videowerken. Deze films, zoals Bear (1993) en Deadpan (1997), worden gekenmerkt door een uiterst spaarzame inzet van cinematografische middelen. Zo zijn de beelden zwart-wit en ontbreekt het geluid. Hoewel daar later verandering in komt, blijft McQueens oeuvre gekenmerkt door een minimalistisch maar doeltreffend handschrift. Geen enkel element is overbodig. De eenvoud en precisie waarmee hij te werk gaat, verlenen zijn werk oeuvre breed een ongeëvenaarde zeggingskracht en visuele verleidingskracht.

In zijn vroege werken komt McQueen, die van Grenadiaans-Trinidadiaanse afkomst is, regelmatig zelf voor. Hoewel raciale ongelijkheid in deze films geen expliciet thema is, vormt het toch een veelbesproken aspect in de vakmatige waardering voor zijn werk.

In de jaren negentig worden er solotentoonstellingen georganiseerd in onder meer het Museum of Modern Art in New York en het Institute of Contemporary Arts in Londen, maar ook in het Van Abbemuseum en Museum Boijmans Van Beuningen. McQueen wint op dertigjare leeftijd de Turner Prize, de belangrijkste prijs voor hedendaagse kunst in Groot-Brittannië. Meer solotentoonstellingen volgen in vooraanstaande instituten over de hele wereld. In 2009 vertegenwoordigt hij Groot-Brittannië op de Biënnale van Venetië.

Er gaat een steeds grotere maatschappelijke betrokkenheid uit zijn werken spreken. Zo vertrekt McQueen in 2006 als officiële oorlogskunstenaar naar Irak, waarna hij het voorstel voor het werk Queen and Country maakt: postzegelvellen met portretten van gesneuvelde Britse soldaten. Het videowerk Gravesend (2007) gaat over de erbarmelijke omstandigheden waaronder mijnwerkers in Congo grondstoffen voor smartphones delven. McQueen uit geen expliciet kritisch commentaar op deze situatie; de beelden zijn krachtig genoeg.

In 2008 verschijnt McQueens eerste speelfilm Hunger, een rauwe film over de Ierse hongerstaking van 1981. De film wordt overladen met onderscheidingen, waaronder de Caméra d'Or op het filmfestival van Cannes. In 2011 volgt Shame, over een New Yorker die worstelt met zijn seksverslaving. De kritieken zijn wederom zeer lovend en McQueens reputatie als gevierd cineast wordt definitief gevestigd. Zijn verdiensten in de beeldende kunst leveren hem datzelfde jaar de onderscheiding als Commandeur in de Orde van het Britse Rijk op.

Met zijn meest recente speelfilm, het aangrijpende 12 Years a Slave uit 2013, breekt McQueen definitief door bij het grote publiek. De film wordt onderscheiden met drie Academy Awards, onder andere die voor Beste Film. In 2016 ontvangt McQueen een BFI fellowship, de hoogste onderscheiding in de Britse filmwereld.

Ondertussen bouwt hij zijn oeuvre als beeldend kunstenaar gestaag uit. Behalve videowerk produceert hij ook sculpturen en installaties die worden getoond en verzameld door de belangrijkste musea ter wereld. Zijn werk is onder meer te vinden in de vaste collecties van het Stedelijk Museum (Amsterdam), MoMA (New York), Tate Gallery (Londen), The Art Institute of Chicago (Chicago) en het Musée National d'Art Moderne George Pompidou (Parijs).

McQueen woont en werkt sinds de jaren negentig in Amsterdam met zijn partner, cultuurcriticus Bianca Stigter, en hun twee kinderen.

Gronden van verlening

De jury is met name onder de indruk van de diepe en oprechte maatschappelijke betrokkenheid die uit McQueens werk spreekt. Hij levert geen direct commentaar op de actualiteit, maar overstijgt dat niveau door fundamentele vragen te stellen over menselijke waardigheid.

McQueen deinst er niet voor terug om grote, universele thema’s aan te snijden. Boete en schuld, onrecht, ethiek, maar ook persoonlijke frustratie en verdriet. Voor deze thema’s is nauwelijks ruimte in het maatschappelijk debat, behalve wanneer de actualiteit hiervoor een directe aanleiding vormt. Alleen op die momenten wordt er gesproken over ethiek en de grenzen van wat wel of niet moreel aanvaardbaar is. Kunst is een van de weinige plekken waar er wel ruimte is deze om deze thema’s zonder concrete actuele aanleiding en zonder onderliggende politieke of religieuze agenda aan de orde te stellen.

McQueen vindt aanleiding voor zijn werken in de meest uiteenlopende onderwerpen — van Amerikaanse slavernij in de 19de eeuw en de Noord-Ierse IRA in de jaren tachtig tot mijnbouw in het hedendaagse Congo — maar weet historische gebeurtenissen te overstijgen door het aanboren van een universele thematiek: onderdrukking, ongelijkheid, de veerkracht van de menselijke ziel. In handen van de kunstenaar en regisseur krijgen verhalen, waar en wanneer ze zich ook afspelen, een tijdloze urgentie.

Dit alles doet McQueen op een uitermate poëtische doch ingetogen manier en zonder te moraliseren.

Daarnaast is de jury overtuigd door de uitzonderlijke formele kwaliteiten van McQueens oeuvre. Zowel in de rol van kunstenaar als in die van regisseur toont hij zich een grootmeester in de beheersing van het beeld.

In de beeldende kunst is — ondanks die benaming — het beeldende aspect lang niet altijd meer bepalend. Het visuele is steeds vaker ondergeschikt aan het concept van een werk. Ook in cinema wordt beeld vaak puur ter illustratie van het verhaal ingezet. McQueen weigert echter concessies te doen ten koste van het beeld. Zijn controle over het visuele grenst aan perfectie. De behendigheid waarmee McQueen tussen cinema en beeldende kunst schakelt, is ongeëvenaard. In beide werelden durft hij even rigoureus als ambitieus te zijn, wat hem tot een uitzonderlijk kunstenaar en regisseur maakt.

In zijn speelfilms is McQueens kunstenaarsblik nooit ver weg. Los van het feit dat veel van zijn shots de kwaliteit hebben van bewegende schilderijen, legt hij de ijzeren regels van Hollywood veelvuldig onbevreesd naast zich neer. Zo zit er in Hunger een zeventien minuten durend shot en bevat 12 Years a Slave een moment waarop de hoofdpersoon rechtstreeks de camera in kijkt: een van de meest beklemmende en indringende momenten uit de recente filmgeschiedenis. Ook houdt McQueen zich niet aan de wetten van het traditionele narratief. Hij is een grootmeester in het creëren van een woordeloze suspense, die vervolgens niet wordt ingelost met een ontknoping. Hierdoor laten de films een onuitwisbare indruk achter.

Ook in zijn video-installaties toont McQueen zich een uitmuntend regisseur. Hij bepaalt niet alleen zeer zorgvuldig wat we zien, maar ook hoe we het zien. Binnen de kunstwereld is zijn perfectionisme berucht. Van de kleur van het tapijt tot de exacte afmetingen van de ruimte: de wijze waarop zijn video’s worden getoond, is tot in de kleinste details door hem georkestreerd. Niet alleen oog en oor worden bespeeld. De kunstenaar is zich ervan bewust dat kijken een fysieke totaalervaring is waarbij het hele lichaam en alle zintuigen een rol spelen.

In de installatie Blues Before Sunrise (2012) weet McQueen zelfs de alledaagse werkelijkheid te regisseren en het Amsterdamse Vondelpark om te vormen tot een tableau vivant. Door een minimale ingreep — de straatlantaarns in het stadspark geven blauw in plaats van wit licht — wordt een maximaal effect bereikt: het park en zijn bezoekers vormen als geheel een raadselachtig kunstwerk. Een eindeloze hoeveelheid mogelijke verhalen dienen zich aan — het Vondelpark als crime scene, als Twilight zone, als een driedimensionaal schilderij et cetera — , maar geen daarvan wordt door het kunstwerk bevestigd of ontkracht. Ook hier wordt een spanning opgebouwd die niet wordt ingelost. Hierdoor blijft de beleving van het werk je lang navolgen, als een spookachtig nabeeld.

Ook de wijze waarop McQueen zijn werk in museumcollecties plaatst, is zorgvuldig geregisseerd. Hij produceert zijn werken spaarzaam en kan het zich veroorloven selectief te zijn. Hij is een van de weinige kunstenaars van wie het zelfs voor de meest prestigieuze musea ter wereld een eer is werk van hem te mogen bezitten. Je zult niet snel een overkill aan McQueenwerken tegenkomen. Ook op dat niveau weet hij zijn publiek altijd in suspense te houden en te doen verlangen naar meer.

McQueen en Nederland

Ten slotte wil de jury McQueens bijdrage aan de verrijking van het artistieke klimaat in Nederland onderstrepen. Terwijl McQueen werkzaam is in een zeer internationaal georiënteerd netwerk en wereldwijd veel wordt gevraagd, is zijn werk met grote regelmaat te zien in Nederlandse instellingen. Ook achter de schermen levert hij belangrijke bijdragen: zo zorgde hij als bevlogen begeleider bij De Ateliers en als tutor van het Curatorial Programme van de Appel arts centre voor veel scherpte bij zowel studenten als collega’s.

Het mag een voorrecht genoemd worden dat een groot kunstenaar als Steve McQueen ervoor kiest in Amsterdam te wonen en te werken, en met zijn excellente kunstenaarschap bijdraagt aan een rijkgeschakeerd cultureel klimaat in Nederland.

De jury van de prijs bestond uit Ernst Hirsch Ballin (voorzitter), Irma Boom, Claudia de Breij, Ann Demeester en Stephan Sanders.